|
Afrika bezuiden de Sahara zal nog minstens tweehonderd jaar lijden onder extreme armoede, als niet meer ondernomen wordt om de situatie in de regio te verbeteren. Dat blijkt uit onderzoek van de sociale waakhond Social Watch.
De organisatie heeft een maatstaf ontwikkeld om de strijd tegen de armoede in de wereld te meten, de Basic Capabilities Index (BCI). Uit het onderzoek blijkt dat de ontwikkeling in 2008 overal ter wereld afnam. In het huidige tempo zullen de millenniumdoelstellingen van de Verenigde Naties niet gehaald worden voor 2015.
Van de 176 landen waarvoor een BCI berekend kon worden, vertonen er amper 21 een duidelijk merkbare vooruitgang tegenover 2000. Nog eens 55 landen vertonen erg trage vooruitgang, 77 landen blijven op hetzelfde niveau of doen het slechter dan in 2000. Van de overige 23 landen is niet voldoende informatie beschikbaar.
Afrika bezuiden de Sahara heeft in de afgelopen jaren een sterke economische groei gekend, maar die vertaalde zich niet in een dalende armoede. Zoals de zaken er nu voor staan, zal pas in de 23ste eeuw aan de basisbehoeften van miljoenen Afrikanen voldaan kunnen worden, stelt Social Watch. Veel regeringen blijken er niet in te slagen om hun beloftes na te komen. In Zambia bijvoorbeeld, dat gratis basisgezondheidszorg nastreeft voor alle burgers, hoort de gemiddelde levensverwachting tot de laagste ter wereld.
Van kwaad tot erger
Volgens Roberto Bissio van Social Watch zal de economische crisis de zaken nog ingewikkelder maken, onder meer door een daling van de bedragen die migranten naar hun thuisland sturen. “Arme landen zullen op die manier zwaar lijden onder een crisis waar ze zelf absoluut geen oorzaak van zijn”, zegt hij.
Om het tij te keren moeten regeringen de nadruk leggen op ontwikkeling van de mensenrechten en specifiek die met een sociaal-economische dimensie, vindt Bissio. In de laatste twee decennia hebben internationale instellingen vooral gewaakt over de rechten van bedrijven om zich waar ook ter wereld te vestigen. Ze verboden ontwikkelingslanden om bedrijven voorwaarden op te leggen die bijdroegen aan de ontwikkeling van de gastlanden. Speciale investeringswetten zorgden er in veel landen bovendien voor dat de grote bedrijven weinig belastingen betaalden.
Volgens de Wereldbank vloeit er jaarlijks voor 800 miljard dollar aan onbelast kapitaal uit ontwikkelingslanden, een flink bedrag in vergelijking met de honderd miljard dollar ontwikkelingssteun die de landen jaarlijks ontvangen.
Internationaal belastingsysteem
Volgens het Tax Justice Network zou er een internationaal informatiesysteem opgezet moeten worden over hoeveel belastingen bedrijven betalen. Binnen de Europese Unie bestaat al zo’n systeem, maar dat is nog verre van perfect. Europeanen die geld willen verbergen voor de fiscus, kunnen dat nog altijd doen in belastinghavens zoals Singapore.
Ana Gomes, een Portugees europarlementslid, klaagt dat de Britse regering dwarsligt bij pogingen om de belastingparadijzen aan te pakken. Ze vindt dat het probleem aangepakt moet worden bij de hervorming van het wereldwijde economische systeem. “Belastingparadijzen zijn een bron van ongelijkheid”, zegt ze. “De regels van de internationale financiering kunnen niet echt grondig hervormd worden als de belastingparadijzen niet afgeschaft worden.”
Simon Stocker van Eurostep, een alliantie van organisaties die strijdt tegen armoede, vindt dat de Europese ontwikkelingshulp te veel rekening houdt met investeringsmogelijkheden voor westerse bedrijven in ontwikkelingslanden. “Omdat de EU zelf een ontwikkelingsmodel van economische liberalisering hanteert, wordt dat automatisch geëxporteerd”, zegt hij. “Het lijkt erop dat de EU vooral de eigen handelsbelangen promoot in plaats van de economische ontwikkeling van de arme landen.” (IPS)
Dossier(s):
Armoede
Millenniumdoelen
|