|
Goed en slecht nieuws van de oecumene |
|
|
|
door Boele P. Ytsma
|
|
Wednesday, 3 September 2008 |
|
Oecumene is een woord dat je de laatste jaren minder hoort dan voorheen. Het Griekse woord betekent letterlijk ‘de bewoonde wereld’ en kan kortweg worden samengevat als ‘de beschaving’.
Het is een term die binnen de christelijke traditie vanouds is gebruikt voor ‘alle gelovigen van de beschaafde wereld’ en zo verwijst naar de eenheid van alle christenen wereldwijd. Oecumene is de ‘eenheid van de kerk’ – of tenminste het verlangen ernaar. Praktisch gezien gaat het dan vooral om de wederzijdse erkenning en herkenning van kerken en denominaties.
Na de Tweede Wereldoorlog was er in Europa een sterke ‘oecumenische beweging’, waarin de oprichting van de Wereldraad van Kerken (1948), het Tweede Vaticaanse Concilie (1962-1965) en het Lima-rapport uit 1982 (over doop, eucharistie en ambt) belangrijke mijlpalen waren. Voor het grote publiek is waarschijnlijk het Conciliair Proces (1989) met haar indrukwekkende drieslag ‘Vrede, Gerechtigheid en Heelheid van de schepping’ het laatste grote wapenfeit geweest van de Oecumenische beweging. Die beeldvorming is jammer - want er is sindsdien nog veel gebeurd - maar heel begrijpelijk. Door velen wordt niet zonder reden de laatste jaren gesproken over de ‘oecumenische winter’ waarin we nu zouden zitten.
Wie de oecumene op nationaal niveau bekijkt wordt inderdaad niet vrolijk. De samenvoeging van drie kerken in de Protestantse Kerk heeft één grote, innerlijk zeer verdeelde kerk en twee verharde splinterkerken opgeleverd. De toenadering van de kleine gereformeerde kerken tot elkaar leidt veelal tot verharding en vervreemding binnen de eigen kring. En op allerlei niveaus is de samenwerking tussen protestantse kerken en Rooms-katholieke kerken de afgelopen jaren stukgelopen. Het recente benoemingsbeleid vanuit Rome heeft daaraan niet veel goeds gedaan. Op de laatste synode van de PKN is daarvoor ook nadrukkelijk aandacht gevraagd.
Je zou je wanhopig kunnen afvragen: hoe moet het nu verder? Het is voor mij intussen de vraag of de situatie zo uitzichtloos is als ze lijkt. De afstand tussen instituten en denominaties ten opzichte van elkaar mag dan gegroeid zijn (dat zal ik niet ontkennen), de feitelijke verbinding van mensen aan die instituten is vele malen losser geworden. Ik heb kortgeleden uitgebreid geschreven over de netwerksamenleving: mensen verbinden zich losser, dynamischer en meervoudig aan instituten. Ook gelovigen scharrelen tegenwoordig zelf hun geestelijk menu bij elkaar; vanuit kerken, cursussen, boeken, tijdschriften en via tv en internet. Mensen behoren niet meer exclusief tot een bepaalde kerk of club. Of je het betreurt of omarmt – het is de realiteit van de netwerksamenleving. De scheidingen van de denominaties bestaan daarom voornamelijk nog in organisatorische termen – feitelijk werken ze al lang niet meer. In de ‘bewoonde wereld’ zelf wordt de oecumene volop beoefend! Dat is het goede nieuws.
Het lijkt zelfs een proces van omgekeerde evenredigheid. Hoe minder mensen zich exclusief aan een kerk verbonden weten, des te meer die kerk haar profiel ten opzichte (en ten koste) van andere clubs lijkt te willen tonen. Met andere woorden: hoe meer mensen feitelijk de oecumene leven, des te minder lijken de kerkelijke instituten bereid tot wederzijdse erkenning. Het is een vreemde constatering. Maar als ze ook maar een kern van waarheid bezit, dan wordt begrijpelijk dat kerkelijke instituten lijden aan verlies van relevantie in het maatschappelijke leven – ze keren immers de ‘bewoonde wereld’ zèlf de rug toe! Dat is – helaas – het slechte nieuws.
Boele P. Ytsma is pastor in de Gereformeerde Kerk van Siddeburen.
Dossier(s):
Protestantse Kerken
RoomsKatholieke Kerk
|