De kleuren en de woorden Afdrukken E-mail
door Huub Mous   
dinsdag, 15 juli 2008

thijssebloemen.jpgErgens in huis staan nog een paar delen uit de reeks Verkadeboeken van Jac. P. Thijsse. De boeken hebben fraaie titels zoals Zwerftochten door ons land, Waar wij wonenOnze Grote Rivieren en De bloemen en haar vrienden

Het zijn wat je noemt kloeke boeken met van die hard kartonnen omslagen met fraaie bandversiering. Elk exemplaar omvat een eigen wereld met kleurrijke aquarellen van de klokjesgentiaan met moshommel, de gele dovennetel met langhoornbijwijfje, de rode koekoeksbij op vetkruid, de pastinaak met grote parasietvlieg, de zeeraket met knollenwitje en de hemelsleutel met hoornaarswesp. Kortom, een wereld waarin alles nog een naam had en bovendien zijn eigen plaats. De hele natuur zat in een rol beschuit. Kleurige plaatjes die je keurig en liefst met zo weinig mogelijk kleefstof tussen de lijntjes moest plakken. Strakke kaders, waarin alles uiteindelijk op zijn plaats viel. Of het nou koek, beschuit, biscuit of chocolade was, alles was voorzien van het merk Verkade.

De natuur is een geordend universum, zo leren ons deze boeken. Het is een eindeloos arsenaal van bloemetjes en bijtjes. We kunnen overal een etiket op plakken of een kaartje op prikken, zodat je kunt zien wat het is en vooral wat het voorstelt. Maar is dat wel zo? Heeft alles wel een naam? Hebben ook alle kleuren een naam? Kun je alle kleuren van de wereld keurig naast elkaar plaatsen als in een doos kleurpotloden van Caran d’Ache en vervolgens van een naam te voorzien? De eskimo heeft veertig woorden voor wit. De Arabier zestig voor bruin, maar wij moeten ons behelpen met de zeven woorden van de regenboog. Een oneindig spectrum van subtiele schakeringen, verfijnde variaties van toon, timbre, helderheid en verzadiging worden in de taal van alledag teruggebracht tot een paar simpele etiketten. We roepen maar wat als we de zon zien ondergaan of gewoon uit het raam kijken, naar het licht dat op een schoorsteen valt. Wat het meest voor de hand ligt klopt vaak niet, en dat geldt voor het zien van kleur in hoge mate. Ongemerkt leggen we voortdurend een grauwsluier over de werkelijkheid. Alles wordt een beetje gedempt.

De vuursalamander

In de boeken van Verkade gebeurt dat niet. De natuur wordt getoond in zijn volle kleurentooi. Soms denkvuursalamander0001-300x166.jpg je wel eens, is dat niet een beetje overdreven. De vuursalamander bijvoorbeeld, die uitvoerig wordt beschreven in het boek Zeewateraquarium en terrarium, heeft nota bene gele vlekken op zijn rubberen huid. Alsof er geknoeid is met de verfpot. De natuur gaat slordig met kleuren om. Bloemen en planten maken er helemaal een potje van. Je kunt het zo gek niet bedenken, elke oogverblindende combinatie is uitgeprobeerd. Harmonie? Ho maar! De natuur vloekt. Het is een organische janboel die groeit en bloeit en altijd maar weer de kleuren verknoeit.
 
De evolutie tendeert naar een totale kleurenexplosie van alle denkbare dissonanten. Het kan niet anders of de Schepper moet kleurenblind zijn geweest. ‘In den beginnen was het Woord’, zo wordt van de wereld beweerd. Maar ik kan me niet voorstellen dat aan elke tint of gradatie een woord vooraf is gegaan.

Hoe dan ook, de kloof tussen het oog en de taal is niet van vandaag, maar zo oud als de wereld. Als we voortdurend alle kleuren zouden zien zou de wereld ontaarden in een schetterend spektakel. Het echte kleurenrijk heeft alleen in het paradijs bestaan. Daarna pas zijn we namen gaan noemen, plaatjes gaan verzamelen, Verkadeboeken gaan volplakken met ingekleurde afbeeldingen van vreemde cactussen en insecten. Die plaatjes verhouden zich tot de werkelijkheid als onze woorden tot de kleuren. Sinds kleuren namen hebben, kijken we om ons heen met de blik van Meester Prikkebeen. Woorden zijn dode vlinders die aan de muur worden geprikt. In onze taal is de natuur een tekenfilm. Maar dat is het ergste nog niet. Er zit vaak een groot verschil tussen de kleuren die er zijn en de kleuren die we denken te zien. Er gaapt niet alleen een kloof tussen de kleuren en de woorden, we kijken ook nog eens uiterst onzorgvuldig.

In een brief aan Goethe gaf de natuurkundige Lichtenberg ooit een sprekend voorbeeld: “Tegenover mijngoethekopf.jpg raam”, zo schreef hij, “staat een witte schoorsteen waarvan de twee kanten die voor mij zichtbaar zijn, zelden in enigerlei mate door de zon worden beschenen. Soms, wanneer de ene kant mij geel of blauwachtig toeschijnt, vraag ik personen met overigens zeer helder oordeelsvermogen naar de kleuren van de schoorsteen. Gewoonlijk is het antwoord dat hij aan de ene kant net zo wit is als aan de andere, maar op de andere schijnt de zon, dat veroorzaakt het verschil.”

Wat hier met een paar woorden wordt gezegd, gebeurt in feite voortdurend. We verwarren telkens kleur en licht, tint en helderheid. Wij geloven elk ogenblik iets waar te nemen wat we eigenlijk alleen maar concluderen. Als de taal iets verminkt dan is het de kleur. Wat kleur betreft zijn we niet alleen voor een groot deel blind, we zijn ook analfabeet. Rood, oranje, geel groen, blauw, violet… Het oog kan niet denken, maar van het brein mag je verwachten dat het kan zien. Mooi niet dus. Tussen netvlies en cortex ligt de boel compleet overhoop. Zoals een klein kind wijst naar de dingen om zich heen, zo stamelen wij met woorden, als het om kleuren gaat. Wat dat betreft leven we nog in wereld van bloemetjes en bijtjes, de bloemen en haar vrienden.
 
Filmpje   (Colours)
 
Dit artikel verscheen ook op het weblog van Huub Mous 
 
Dossier(s): Literatuur 

 
< Vorige   Volgende >