|
Een paar jaar geleden werd aan een groep proefpersonen gevraagd een beschrijving te geven van een onderwater- tafereel. Westerse waarnemers zeiden: ‘Er zwemmen twee vissen in het rond.’ Japanse waarnemers beschreven iets heel anders: ‘Ik zie een wazige groene massa, kleine planten, diertjes, er zitten ook twee vissen tussen.’
De conclusie van de onderzoekers was dat Japanners meer ‘relationele’ observators zijn. Voor hen telt hoe een mens of dier in zijn/haar omgeving functioneert. Andersom kan je zeggen: Westerse proefpersonen proberen snel de ‘hoofdzaken’ van de ‘bijzaken’ te scheiden. En de bijzaken zijn in de ogen van de westerling nu juist de relaties. Wat je ziet zijn dan vissen, geen water. Alsof voor die vissen een zelfstandig bestaan mogelijk is buiten de zee, in het luchtledige.
We zitten dan niet ver van Descartes, die de identiteit van de enkeling los probeert te koppelen van zijn omgeving: autonomie, nietwaar. Hoe ik denk, wie ik ben maak ik zelf in mijn uppie wel uit. Een mooie houding, daarover geen misverstand. Ik zou me als Nederlandse enorm geknecht en verloren voelen als ik mezelf geheel moest oplossen in mijn omgeving.
Inmiddels valt er voor de Japanse kijk natuurlijk enorm veel te zeggen. En het is winst dat er de laatste jaren voor die manier van kijken meer openheid ontstaat, ook in het Westen. Ik denk aan de filosofie van zogenaamde communautaristen, die benadrukken dat mensen altijd zijn ingebed in gemeenschappen, dat elke identiteit ontstaat in relaties. Dan worden bijzaken hoofdzaken.
Denken in hoofdzaken, gekoppeld aan rationeel handelende individuen kleurt ook de Westerse waarneming van het groepsgebeuren. Een groep is immers in Westerse ogen pas een groep wanneer hij een duidelijke doelstelling, een actieprogram en een goed vastliggende structuur heeft. Anders zien wij geen groep, maar een losse verzameling mensen.
Dat geldt ook als je kijkt naar de manier waarop mensen religieus zijn. Het onderbrengen van mensen in overzichtelijke groepen met een duidelijk program geeft zin aan het indelen van het religieus zijn van mensen in het kader van ‘wereldreligies’. In het debat over de islam horen we telkens weer bepaalde teksten of dogma’s kenmerkend zijn voor ‘de islam’. Mensen die bij ‘de islam’ horen, worden vervolgens één op één met die teksten of dogma’s vereenzelvigd. De vissen zwemmen veilig rond in een vissenkom waar ze nooit meer uit kunnen.
Waar is in zo’n redenering plaats voor een moslim die ook aan shiatsu-massage doet, zoals ik die tegenkom? Of een Joodse vrouw, die enorm gegrepen is door de gedichten van een moslim-mysticus? Of gewoon voor de meer alledaagse manier waarop mensen hun moslim zijn vooral in verband brengen met de fantastische harirasoep die hun moeder vroeger klaarmaakte bij het einde van de Ramadan?
Desondanks heeft het natuurlijk zin om in het gewone spraakgebruik een bepaalde religieuze traditie ‘de islam’ te noemen en een andere ‘het boeddhisme’. Tussen bepaalde elementen van de levensovertuiging van moslims bestaat immers een samenhang, die historisch zo gegroeid is. Je zou kunnen zeggen: er bestaan verschillende waterlopen waarbinnen de vissen zwemmen. Die zijn soms via dwars kanaaltjes met elkaar verbonden, maar ze hebben elk hun eigen bedding.
Geen vissenkom, maar een uitgestrekt deltalandschap. Wie weet zijn al die vissen zelfs wel op weg naar de zee….
* * *
© Dr. Gé Speelman is docent godsdienstwetenschappen aan de Theologische Universiteit Kampen (ThUK) en lid van de kenniskring Theologie en levensbeschouwing aan de Christelijke Hogeschool Windesheim
Dossier(s):
Reliprof.nl
|