Kiezen voor de gekruisigden Afdrukken E-mail
door Savi Hensman   
donderdag, 20 maart 2008

Poster van de Moeders van de Plaza de Mayo, met foto's van vermisten.In oktober 2007 werd een priester veroordeeld voor betrokkenheid bij 7 moorden, 31 gevallen van marteling en 42 ontvoeringen. Christian von Wernich was kapelaan bij de politie van Buenos Aires tijdens de militaire dictatuur in Argentinië (1976 - 1983).

  - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -  

Voor zijn rol in de ‘vuile oorlog’ in die periode, toen veel tegenstanders van het regime ‘verdwenen’ en nooit meer werden teruggezien door hun geliefden, werd hij tot levenslang veroordeeld.

De Rooms-Katholieke Kerk heeft zich, net als veel andere christelijke denominaties en geloofsgemeenschappen, vaak uitgesproken tegen mensenrechtenschendingen. Hoe kan het dan dat een priester beschuldigd wordt van zulke ernstige misdaden? Hoe kan het dat er destijds geen actie is ondernomen, terwijl geestelijken in andere gevallen door hun bisschoppen of zelfs het Vaticaan tot verantwoording worden geroepen voor relatief onbeduidende zaken? Moeten gelovigen hier lessen uit trekken?

Een kerk van de machtigen

Misschien heeft de positie van religieuze instituten in de samenleving er iets mee te maken. Daar waar ze de goedkeuring wegdragen van de bevoorrechten en machtigen, en voordeel ondervinden van die positie, kunnen ze zich gaan identificeren met hun rijke beschermers en medestanders. Religieuze leiders kunnen het dan moeilijk vinden om misbruik te herkennen en aan te kaarten, vooral als de slachtoffers relatief arm en onbelangrijk zijn, of gezien worden als een bedreiging voor het sociale en economische systeem waarin de geloofsinstituten goed gedijen.

Temidden van een strijd tussen rijke landbezitters en zakenmensen enerzijds en degenen die opkwamen voor kleine boeren en arbeiders anderzijds, werd communisme door de Argentijnse kerkleiders gezien als een grote bedreiging. In de jaren zestig schreef kardinaal Caggiano dat het marxisme werd geboren uit de ontkenning van Christus en zijn Kerk, “in de praktijk gebracht door de Revolutie” en de noodzaak een “beslissende strijd” voor te bereiden, ook al had de vijand “zijn wapens nog niet opgenomen”. Hij werkte mee aan een cursus waarin militairen een citaat moesten bestuderen van de vijftiende-eeuwse bisschop van Verden: “Als het voorbestaan van de kerk wordt bedreigd, is de kerk niet langer gebonden aan de geboden van moraliteit. Als eenheid het doel is, zijn alle middelen geoorloofd: bedrog, verraad, geweld, woeker, gevangschap en dood. Omdat de samenleving gediend is bij orde en het belang van het individu ondergeschikt is aan het algemeen belang.”

Direct na de coup van 1976 prees de Argentijnse aartsbisschop Paraná Adolfo Tortolo - zelf een hoge aalmoezenier - Jorge Rafael Videla, die de macht had gegrepen. “Generaal Videla is trouw aan de christelijke principes en moraal. Als militair leider is hij uitmuntend, als katholiek is hij bijzonder oprecht en loyaal aan zijn geloof.” Hij zei ook dat het leger “harde en gewelddadige maatregelen” zou moeten nemen bij ondermijnende activiteiten.

Sommigen in de kerk waren actief tegen het gewelddadige regime. In 1977 werden bijvoorbeeld twee Franse nonnen vermoord die gezien werden als dissidenten. De Moeders van de Plazo de Mayo, die protesteerden tegen de verdwijningen, kwamen bijeen in de Santa Cruzkerk in Buenos Aires. Maar een groot deel van de religieuze hiërarchie koos de kant van het leger.

Tegen deze achtergrond zijn de acties van Von Wernich, die zijn vertrouwensfunctie als priester misbruikte om informatie los te krijgen van gedetineerden, gemakkelijker te begrijpen - maar niet te rechtvaardigen. Toen het militaire bewind eindigde, probeerde de kerkelijke hierarchie hem te beschermen voor de consequenties van zijn daden. Von Wernich werd onder een valse naam naar parochie in een kleine stad gestuurd. Maar uiteindelijk werd hij opgespoord en berecht.

Getuige na getuige vertelde over het vreselijke lijden dat ze moesten ondergaan tijdens de dictatuur. “Ik blijf vraagtekens zetten bij de rol van de kerk als instituut, vooral in de hiërarchie die niet gekozen heeft voor de gekruisigden”, zei een andere priester, Rubén Capitanio, die tegen Von Wernich getuigde. “Von Wernichs zaak is meer dan symbolisch, omdat hij de kant van hen die ‘kruisigden’ heeft gekozen.”

Een God van leven en de afgoden van de dood

In El Salvador was het antwoord van de kerk tijdens de militaire terreur anders. Hoewel velen in de kerk sterke banden hadden met het establishment en relatief onkritisch stonden ten opzichte van sociale ongelijkheid en de onderdrukking van protesten, kozen sommige priesters partij voor de armen. Ze werkten met leken samen aan plaatselijk onderwijs en ontwikkeling. In 1977 leek de vrome conservatief Oscar Romero voor de hiërarchie in eerste instantie een veilige keuze als aartsbisschop. Hij zou in staat zijn de geestelijken die te kritisch waren over de status quo, in te tomen.

Maar door zijn pastorale gevoeligheid voor de nood van de mensen en de moord door een doodseskader op een radicale jezuïtische priester waarmee hij bevriend was, begonnen zijn ideeën te veranderen. “Of we dienen het leven van de Salvadoranen of we zijn medeplichtig aan hun dood”, reflecteerde hij. “We geloven in een God van leven of we dienen de afgoden van de dood.” Hoewel hij teleurgesteld was in de tegenstand van collega-bisschoppen en het gebrek aan steun vanuit het Vaticaan, weerhield dat hem niet van kritiek op het regime in een tijd dat velen zich niet durfden uit te spreken.

Hij probeerde tevergeefs de Amerikaanse regering over te halen te stoppen met de steun aan het wrede regime in El Salvador. Dat regime gebruikte grof geweld tegen burgers om dissidenten de mond te snoeren en rebellie te kop in te drukken. In maart 1980, sprak hij de militairen direct aan: “Jullie vermoorden jullie eigen boerenbroeders terwijl elk menselijk bevel om te moorden ondergeschikt is aan Gods wet, die zegt: Gij zult niet doden. Geen enkele militair is verplicht om een bevel te gehoorzamen dat ingaat tegen de wet van God. Niemand hoeft een immorele wet te gehoorzamen. Het wordt hoog tijd dat jullie je geweten herontdekken en dat gehoorzamen, in plaats van een zondig bevel.” Diezelfde avond werd hij tijdens een eucharistieviering vermoord.

Twee weken eerder zei hij dat hij herhaaldelijk met de dood bedreigd was. “Ik moet zeggen dat ik als christen niet geloof in de dood, maar in de opstanding. Een bisschop sterft, maar de kerk van God, de mensen, zal nooit sterven.” En inderdaad, noch de moord op Romero, noch de verkrachting van en moord op drie Amerikaanse nonnen en een pastoraal werker later dat jaar, weerhield de kerk in El Salvador ervan de onderdrukkende structuren en de mensenrechtenschendingen aan de kaak te stellen.

De door jezuïeten gerunde Universiteit van Centraal-Amerika werd een studiecentrum voor de sociale en economische situatie in El Salvador en zette zich in voor slachtoffers van het regime. Psychologiedocent Ignacio Martín-Baró beschreef de verwoestende impact van een conflict waarbij “de menselijke natuur van ‘vijanden’ ontkend wordt; men verwerpt de mogelijkheid tot enige constructief gesprek met hen, omdat ze gezien worden als iets wat vernietigd moet worden.” Temidden van geweld, sociale polarisatie en de institutionele leugen waarin de waarneming van de werkelijkheid vervormd is, “kan de militarisering van het sociale leven leiden tot een militarisering van de geest.”

In 1989 werd hij, samen met vijf andere priesters, hun huishoudster en haar tienerdochter, vermoord door soldaten. Maar hun invloed werd daarmee niet teniet gedaan. Een paar jaar later leidden onderhandelingen tot een einde van de burgeroorlog.

Een andere martelaar van de jezuïeten, Juan Ramón Moreno, sprak eerder over de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan (Lucas 10:25-37): terwijl de priester en de Leviet “toekeken zonder solidariteit te tonen, van een afstand”, doet de Samaritaan iets heel anders. Hij ziet met de blik van iemand die open staat voor de situatie van de ander en die “dus bewogen wordt tot medelijden.” Deze manier van handelen die Jezus ons als voorbeeld geeft (‘Doet u dan voortaan netzo’), weerspiegelt eenvoudig weg Jezus’ eigen manier van handelen, zei hij. “Vooraf aan spreken of handelen gaat zien en het tonen van barmhartigheid.” De vleeswording reflecteert de liefde van God, wiens “antwoord aan deze wereld die langs de weg ligt, tot deze wereld in doodsstrijd, is als in de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan, dichterbij komen en binnengaan.”

De kerk, zo stelt Moreno, moet bereid zijn te kijken naar het lijden in de wereld en mededogen tonen, zoeken naar Gods leiding, wiens liefde en genade verandering kunnen brengen. Dit kan een uitdaging zijn, vooral voor de welgestelden: “Het is een beangstigende, radicale verandering als je het gezichtspunt van eigenbelang en privileges verlaat, of het nu gaat om een individu, klasse of een land.”

Er moet een prijs betaald worden om het goede nieuws te delen in woord en daad. “Maar wat is belangrijk in onze kerk en voor onze religieuze instituten: de goedkeuring en steun van de machtigen van deze wereld, of een baken van hoop en goed nieuws zijn voor de verachten van deze aarde? Jezus woorden - Wie zijn leven probeert te behouden, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van mij, die zal het behouden - zijn zowel voor de kerk als voor onszelf bestemd.”

Hoop te midden van verwarring

Als regeringen verantwoordelijk zijn voor mensenrechtenschendingen, kan de reactie van gelovigen beïnvloed worden door verschillende factoren.

Hoe belangrijk vinden we het de huidige orde en bestaande patronen van rijkdom en privilege, waar we individueel en institutioneel van meeprofiteren, te handhaven? Zijn we in staat om bij pastorale zorg naar rijken en machtigen toe objectief te kijken naar hun opvattingen en ze te wijzen op een hoger goed? Zijn we geneigd de waarden van onze maatschappij voor lief te nemen en daarbij ook de moeite en het onrecht dat de armen en gemarginaliseerden moeten verduren, of brengen we het goede nieuws ook in moeilijke omstandigheden?

Als een conflict escaleert, kunnen we dan de ‘militarisering van van de geest’ weerstaan? Zijn we werkelijk bereid te veranderen door een God van liefde en onversaagd mededogen te hebben met degenen die lijden en te zoeken naar de oorzaken?

En zijn we bereid het risico te nemen te verliezen wat we hebben, om daarvoor in de plaats iets te krijgen wat onvergelijkbaar veel beter is? Zelfs als dood en destructie lijken te regeren, kunnen we dan vertrouwen op het nieuwe leven dat zich aandient en de herauten van hoop zijn?
 
* * *

© Savitri Hensman is geboren in Sri Lanka en publiceert regelmatig voor Ekklesia, een onafhankelijke not-for-profit denktank in Groot-Brittannië die zich bezighoudt met de rol van religie in het publieke domein. Ze is auteur van diverse publicaties op het terrein van christendom en sociale rechtvaardigheid. Dit artikel verscheen eerder op de website van Ekklesia.

Foto: Poster van de Moeders van de Plaza de Mayo, met foto's van vermisten verzameld door ngo's.

 



 
< Vorige   Volgende >