'Heb uw naaste lief, want dat ben ik' Afdrukken E-mail
door Tijn Touber   
dinsdag, 11 maart 2008

mensen5.jpgWie komt nog toe aan naastenliefde als de zorg is geïnstitutionali- seerd? De moderne maatschappij laat weinig ruimte voor vanzelfsprekende vriendelijkheid. Maar er is goed nieuws: altruïsme is te leren.

  - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - 
 
We gaan terug naar de barmhartige samaritaan, want het ontvangen ligt besloten in het geven. Tweeduizend jaar geleden werd op de weg tussen Jeruzalem en Jericho een eenzame reiziger overvallen. Niemand - zelfs niet de priester die langskwam - stak een hand uit om hem te helpen.
 
Maar vlak voordat hij het bewustzijn verloor, zag hij een vriendelijk gezicht dat zich over hem heen boog en voelde hij hoe twee sterke armen hem optilden en op een ezeltje zetten. Toen hij de volgende dag bijkwam, lag hij in een herberg; zijn wonden verzorgd, zijn dorst gelest. Zijn weldoener was inmiddels verder gereisd en had alle kosten op zich genomen. 'Wie is deze man, dat hij zich zomaar over mij ontfermt?', vroeg de reiziger. De waard glimlachte: 'Zijn naam is Samaritaan.'

Wat we al tweeduizend jaar weten, is nu ook wetenschappelijk aangetoond: samaritanen zijn zeldzaam. Maar er is ook goed nieuws: altruïsme is te leren. Natuurlijke samaritanen zijn schaars, omdat ze - zo blijkt uit onderzoek - uit een zeer goed nest komen, omringd door zorg en liefde. Mensen die onder moeilijke omstandigheden opgroeien, raken hun natuurlijke vermogen om voor anderen te zorgen kwijt.

Helaas geldt dat voor de meesten van ons. Echtscheidingen, incest, stress en het dagelijkse portie televisiegeweld maken dat we ons vertrouwen en onze onschuld al vroeg kwijt zijn. Maar gelukkig ontpoppen sommigen zich op latere leeftijd toch nog tot echte samaritanen. Het blijkt dat het helen van een moeilijke jeugd - en het daaruit voortvloeiende gebrek aan eigenliefde - bij veel mensen verloopt via de weg van het leren zorgen voor anderen. Dat is in eerste instantie vaak makkelijker dan voor onszelf zorgen. Op een indirecte manier herstellen we zo de liefdesrelatie met onszelf. Loesje zei het al: 'Heb uw naaste lief, want dat ben ik'.

Een goed voorbeeld is Sammy, gedetineerde in de Amsterdamse Bijlmerbajes, kind van een alcoholverslaafde, agressieve vader en een moeder die geen tijd voor hem had. Na jaren te zijn gevlucht in drugs en criminaliteit, zit Sammy voor de zoveelste keer achter de tralies. Dit keer is hij echter vastbesloten dat het de laatste keer is. Hij laat zich op een drugsvrije afdeling plaatsen en vraagt om begeleiding. Ik ontmoet Sammy voor het eerst als de ergste ontwenningsverschijnselen achter de rug zijn. Ik leer hem mediteren en met andere ogen naar zichzelf te kijken, los van zijn 'ik ben een criminele junk'-bewustzijn. In enkele maanden tijd zie ik hem van een ontoerekeningsvatbare woesteling veranderen in een aardige jongen die steeds meer oog voor z'n omgeving krijgt. Hij gaat Surinaamse hapjes voor zijn medegevangenen maken en neemt de zorg voor het schoonhouden van de gemeenschappelijke ruimten op zich. Uiteindelijk wordt hij hét aanspreekpunt voor de bewakers als er bemiddeld moet worden tussen gedetineerden en de leiding. Sammy had zichzelf zodanig teruggevonden, dat hij zich aan anderen kon gaan geven.

De Ierse schrijver George Bernard Shaw zei het al: 'Zorg voor de wereld is wat overblijft na zorg voor jezelf.' Altruïsten staan voor anderen klaar, omdat ze voor een groot deel met zichzelf klaar zijn. Ze vinden de problemen van anderen belangrijker dan die van zichzelf, doordat ze hun eigen moeilijkheden goeddeels hebben overwonnen. Een altruïst is uit zijn eigen kleine wereldje van zorgen gebroken en overziet daardoor het grotere geheel waarvan hij deel uitmaakt. Of, om met Johan Cruijff te spreken: 'Naarmate ik ouder word, ga ik steeds meer van het veld zien.'

Ruimte creëren om anderen in je hart te sluiten, betekent oude zaken loslaten. Boeddhisten noemen dit wel 'de kleine dood'; de ego-dood die je tijdens je leven verschillende keren moet sterven om tot verlichting te komen. Wat sterft, is de 'kleine ik', de egocentrische 'ik', die alleen maar bezig is om zijn eigen beperkte behoeften te bevredigen. Deze 'kleine ik' probeert - vanuit de angst de greep op het leven te verliezen - voortdurend situaties en mensen te beheersen. De 'boze buitenwereld' is een bedreiging waartegen hij zich moet verdedigen. De 'kleine ik' leeft niet, hij overleeft slechts. Spirituele groei gaat dan ook onvermijdelijk gepaard met het om zeep helpen van alle 'kleine ikken', de valse identiteiten waarmee we ons hebben vereenzelvigd. Dit voelt als doodgaan, als levend sterven. Het is alsof we in een zwart gat vallen. Alles waaraan we ons vasthielden, alles wat we dachten te zijn, blijkt ineens een illusie. Wie ben ik nog? Wat ben ik nog? Waarom ben ik nog?

Wie deze dood durft te sterven, gaat weer leven.

Leven is geven. Leven is ontvangen. Leven is, kortom, verbonden zijn. Het teken van spirituele groei is dan ook niet de safraankleurige jurk of de lange uren die we in lotushouding kunnen zitten. Spirituele groei kenmerkt zich door het vermogen anderen in je hart te kunnen sluiten. Inderdaad: anderen lief te hebben, zoals jezelf. Wie heeft, geeft. Onvoorwaardelijk. De zon denkt er ook niet over na wie zij vandaag zal beschijnen. De zon schijnt gewoon, omdat het haar aard is om te schijnen.

Een 'zon' te zijn, is wat biologen de 'overloopfactor' noemen: je hebt zoveel te geven, dat het zich voorbij je directe omgeving uitbreidt. Sommigen noemen dit overloopgevoel het 'Christusbewustzijn'. Volgens mij is het gewoon onze natuurlijke aard. Ieder mens wil van nature geven, ieder mens wil dienen, maar de meesten van ons hebben het te druk met overleven.

Wanneer we ons even losmaken van de dagelijkse overlevingstocht en contact maken met diepere lagen binnen onszelf, is het gemakkelijk en vanzelfsprekend om te geven. Het stroomt. Verbonden met de bron van levensenergie, kun je blíjven geven. En dat is fundamenteel anders dan geven zonder zelf spiritueel bij te tanken. Op een gegeven moment raakt de accu dan leeg. De energie stagneert, we voelen ons afgescheiden en op een zeker moment krijgen we een burn-out. Levensenergie moet stromen, een mens moet geven en nemen om werkelijk te leven. Stilstaand water gaat rotten en maakt ons op den duur ziek. We vergiftigen onszelf door niet verbonden te zijn met onze omgeving en met de spirituele bron van het leven.

Onderzoek wijst dan ook uit dat mensen die zich dienstbaar opstellen veel gezonder zijn dan mensen die dit niet doen. Allan Luks, tegenwoordig hoofd van een groot mentoringproject in New York, onderzocht 3300 mensen die dagelijks vrijwilligerswerk doen en schreef hierover in zijn boek, The Healing Power of Doing Good. Dagelijkse vrijwilligers bleken tienmaal zo gezond te zijn als mensen die slechts eens per jaar vrijwilligerswerk doen. Van belang is dat er in dit werk persoonlijk contact is. Ofwel: zomaar wat geld op een girorekening overmaken, draagt niet bij aan de feestvreugde van wat wel de helpers-high wordt genoemd.

Luks kwam er ook achter dat goed doen niet alleen meer gezondheid en vitaliteit oplevert, maar ook een goede pijnstiller is. Zoals bij die mevrouw in Washington die chronische rugklachten had, behalve wanneer ze weeskinderen verzorgde. Robert Benson van de Harvard Medical School ontdekte dat weldoeners precies het tegenovergestelde van stress ervaren: 'Als we goed doen, ontspannen we. Metabolisme, hartslag, bloeddruk en ademhaling worden allemaal rustiger. Ook spanning, depressie en boosheid nemen af.'

Een mooi voorbeeld van compassie wordt beschreven in het boek The Fountainhead van Ayn Rand. Wanneer de jonge architect Howard Roark de beeldhouwer Steven Mallory in zijn atelier opzoekt, blijkt deze geheel van de kaart te zijn. Hij heeft geen hoop meer en is al zijn idealen kwijt. Als Mallory ziet dat Roarks idealisme ongebroken is, barst hij in huilen uit. 'Na een tijdje keek Mallory weer op', staat te lezen in het boek. 'Voor zich zag hij een zachtaardig, kalm gezicht - zonder een spoor van medelijden. Dit was niet het gelaat van een mens die het lijden van een ander met een heimelijk genot aanschouwt, opgetild door het beeld van de bedelaar die zijn compassie nodig heeft. Het had niet de vorm van de hongerige ziel die zich voedt met de vernedering van een ander. Roarks gezicht zag er vermoeid uit, strak bij de slapen, alsof hij net een pak slaag had gekregen. Maar zijn ogen waren sereen, terwijl hij Mallory rustig, strak en met een heldere blik van begrip aankeek. In die blik lag respect besloten.'

Naastenliefde is dus iets anders dan mee-lijden of mee-huilen. Compassie betekent boven de pijn uitblijven - onthecht zijn van de pijn - zodat we in pijnlijke situaties toch positief en constructief kunnen zijn. We leren van jongs af aan om anderen geen verdriet te doen, maar een les die we niet vanzelfsprekend meekrijgen, is om geen verdriet van anderen te accepteren.

Iets positiefs toevoegen kan onder alle omstandigheden, zelfs onder de meest bizarre. Dit liet een Amsterdamse politieagent eens zien toen hij met een collega een vuurgevaarlijke man onschadelijk moest maken. Naast een vuurwapen bleek de man ook een mes te hebben, waarmee hij vooral zichzelf had verwond; hij had de pezen van zijn vingers doorgesneden. De agenten wisten hem te overmeesteren en naar een ziekenhuis te brengen. Daar aangekomen bleek de man zo bang voor een verdoving te zijn, dat hij als een dolle tekeerging. Ze moesten met drie man boven op hem gaan zitten om de zuster haar werk te laten doen. Toen de politieagent een paar uur later de celdeur achter de patiënt wilde dichttrekken, riep de man hem terug. Hij had zich gerealiseerd dat de agent hem het leven had gered, keek hem doordringend aan en sprak, bijna liefdevol: 'Ik zal jouw ogen nooit vergeten.'

Voormalig astronaut Edgar Mitchell, oprichter van het Institute of Noetic Sciences in Californië, waar naastenliefde een onderwerp van studie is, noemt dit 'de gave van erkenning': 'Altruïstisch ingestelde mensen hebben altijd een enorm respect voor de waardigheid van ieder individu. Ik heb het idee dat dát het is dat levens doet veranderen.'

Hoe respect levens kan veranderen, werd mij onlangs duidelijk toen ik in India een Amerikaanse kennis tegenkwam. We bevonden ons hoog op een berg, waar een spiritueel centrum was gevestigd. De kennis had een verantwoordelijke taak in een meditatiecentrum in New York en vond dat hij daarin het afgelopen jaar was tekortgeschoten. Hij had hierover een gesprek gehad met de leidinggevende van de organisatie, die in India was gevestigd. In plaats van een uitbrander of een terechtwijzing, had zij hem gevraagd of hij er het komende jaar nog een taak bij wilde nemen. Het respect en het vertrouwen dat ze hem op dat moment gaf, gaf hem de vleugels om er een fantastisch jaar van te maken.

Het Institute of Noetic Sciences geeft al twintig jaar een jaarlijkse prijs voor 'creatief altruïsme' aan mensen die problemen signaleren en daar iets aan doen. 'Een kenmerk van altruïsten', vertelt Mitchell, 'is dat ze zeer competent zijn in wat ze doen, maar meestal iets doen waarvoor ze niet direct zijn opgeleid. Wellicht is dit ook hun grote kracht; ze zien oplossingen en invalshoeken die mensen uit het vak allang niet meer zien.'

Nicolien de Kroon is een schoolvoorbeeld. Toen ze op een avond op het televisiejournaal de Golfoorlog zag naderen, besloot ze een daad te stellen. Ze vloog naar Genève om de heren te vragen toch vooral aan de kinderen te denken. Toen de Golfoorlog enkele maanden later toch uitbrak, vloog ze naar Washington om president George Bush - vader van - persoonlijk te spreken. Toen het tot haar doordrong dat ze van deze 'heren op leeftijd' weinig te verwachten had, besloot De Kroon om zelf aan de slag te gaan om het leed in de wereld te verzachten. Sinds 1991 heeft zij - vaak eigenhandig - ruim drieduizend ton kleding, voeding, medicijnen en heel veel knuffels gebracht naar kinderen in Koerdistan, voormalig Joegoslavië, Moldavië en Tsjetsjenië. Dat zijn meer dan 120 vrachtauto's vol.

Iedereen vindt het prachtig wat Nicolien de Kroon doet, en toch zijn er maar weinig mensen die het ook doen.

Op 13 maart 1964 had een incident plaats dat een vloedgolf aan onderzoek teweegbracht en leidde tot de ontdekking van het 'toeschouwerseffect'. Achtendertig mensen in een respectabele New Yorkse wijk zagen of hoorden hoe Kitty Genovese om hulp riep terwijl ze werd aangevallen en uiteindelijk vermoord door een man die haar herhaaldelijk met een mes stak. Niemand hielp. Geen samaritaan te bekennen. Toen iemand eindelijk de politie belde, was Genovese al dood.

Uit onderzoek kwam naar voren dat mensen onzeker waren over hoe ze in zo'n situatie moesten reageren. Iedereen wachtte op een ander. Waarom doet niemand iets? Is het misschien niet echt? Is het een film? Wat gebeurt er als ik ingrijp? Misschien ga ik wel af... Het veiligste is dus af te wachten en te zien hoe anderen zullen reageren. Hoe meer mensen er bij een gebeurtenis betrokken zijn, hoe kleiner de kans dat iemand ingrijpt.

Er zijn experimenten gedaan in een wachtkamer, waarbij aan de andere kant van de deur een vrouw duidelijk hoorbaar valt, zich bezeert en om hulp roept. Van de mensen die alleen in de wachtkamer zitten, gaat zeventig procent naar binnen om te helpen. Wanneer mensen echter samen met een vreemde zitten te wachten die niet ingrijpt, schiet slechts zeven procent het slachtoffer te hulp.

Volgens Thomas Hurley van het Institute of Noetic Sciences weten echte altruïsten feilloos wanneer ze hun doel hebben bereikt en het tijd is om los te laten. Hurley schrijft dit toe aan hun spirituele oefening: 'Ze hebben iets om op terug te vallen.' Dienen is voor de altruïst een levenshouding. Wanneer hij zich afhankelijk zou maken van het resultaat van zijn diensten, zou hij zijn spirituele grondslag en daarmee zijn integriteit kwijtraken. Hij zou geen altruïstische dienaar meer zijn, want hij verlangt iets van degene die hij dient.

Ware dienstbaarheid is afzien van het resultaat. Van Mahatma Gandhi is bekend dat hij om deze reden - tot grote wanhoop van de Engelse onderhandelaars - geregeld stiltedagen inlaste. Gandhi wist dat hij zijn geweldloze strijd zou verliezen als hij zijn eigen geweldloosheid zou kwijtraken. Ook liefdadige zielen als Martin Luther King, Moeder Theresa en Jezus hebben hun leven lang hard gewerkt om hun spirituele reserves op peil te houden. Ze lieten zich niet misleiden door de beperkte beloning van roem, rijkdom of tijdelijk comfort. Ieder van hen had de ruimdenkendheid om het grootste perspectief te blijven zien. Hierdoor bleven ze toegang houden tot één van de best bewaarde geheimen van de menselijke geschiedenis: het ontvangen ligt besloten in het geven.

Oefeningen in compassie

Bron: Harry Palmer: Resurfacing, Techniques for Exploring Consciousness, Star's Edge Creations

Compassie kun je overal oefenen waar je met mensen samenkomt. Op vliegvelden, stranden en in winkels. Probeer deze oefening in vijf stappen uit op bekenden en op onbekenden. Doe het discreet en blijf je aandacht stap voor stap op dezelfde persoon richten.


Met je aandacht op de persoon gericht, zeg tegen jezelf:

Stap 1: 'Net als ik, is deze persoon op zoek naar geluk in zijn/haar leven.'
Stap 2: 'Net als ik, probeert deze persoon lijden in zijn/haar leven te vermijden.'
Stap 3: 'Net als ik, heeft deze persoon ook verdriet, eenzaamheid en wanhoop gekend.'
Stap 4: 'Net als ik, probeert deze persoon ook zijn/haar behoeften te bevredigen.'
Stap 5: 'Net als ik, leert ook deze persoon over het leven.'

* * * 

© Tijn Touber is freelance redacteur voor Ode, een tijdschrift voor vooruitgang en positieve verandering
 

Dossier(s): Spiritualiteit 

 
< Vorige   Volgende >