Lang werd hij gezien als de 'dichtende dominee', een epitheton waaraan hij zelf een gloeiende hekel heeft. Zijn onlangs verschenen bloemlezing Praten tegen langzaam water, geeft dichter en theoloog Willem Barnard gelijk.
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
Als theoloog verwierf Barnard (1920) vooral bekendheid als mede-auteur van het Liedboek voor de Kerken (samen met auteurs als Ad den Besten en J.W. Schulte Nordholt). De afgelopen jaren publiceerde hij onder de verzameltitel
Gepeins bij Psalmen een drietal succesvolle boeken vol essays en notities bij zijn psalmlectuur.
Hij debuteerde onder zijn pseudoniem Guillaume van der Graft in 1946 met de bundel Achterstand. Met deze achterstand bedoelde hij de oorlogsjaren, die net achter hem lagen. De achterstand heeft hij meer dan ingehaald. Onlangs verscheen een overzichtsbloemlezing uit zijn dichterlijke werk tussen 1942 en 2007: Praten tegen langzaam water, bij L.J. Veen / De Prom. De auteur noemt zich sinds een tiental jaren alleen nog Van der Graft – het zwierige, katholieke Guillaume is van zijn naam gevallen.
Aarzelend, zoekend
Van der Graft probeert in zijn gedichten contact te krijgen met god, hoewel hij niet weet welke vorm die god in zijn leven precies aanneemt of aan moet nemen. God, of 'god', staat daarbij vooral voor de traditie, zoals die via de joodse Tora-leraren en de eerste bijbelgeleerden tot ons is gekomen. Hij weet zich onderdeel van deze traditie, die hij voortzet en doorgeeft. Aarzelend, zoekend.
Dat aarzelende, zoekende, lijkt me de kern van zijn dichterschap, waarin hij de worsteling onder woorden brengt van de mens met zijn menszijn, en met God. Dit moest even plechtstatig. De dichter zegt het zo:
Mensentaalvormige die in een wolk van
sagen vooropgaat, jou kan ik haten,
tegen je praten, hallo zeggen, met wie
zwijg ik, zelfs gaandeweg van je houden, on-
wennig. Laat mij maar doen of je bij me bent,
een morgen die wakker wordt in de nacht,
een mens die zich tegen de traagheid
verzet van de ontwijkende tijd,
de dood die stilstaat. Jij, uit het pantheon
boos weggelopen verloren zoon! Jij, want
de rest is rigide alleen maar god.
Lange tijd werd Van der Graft vooral gezien als een 'dichtende dominee', een titel die hem geen recht doet. De laatste tien jaar worden zijn gedichten steeds meer gewaardeerd om wat ze zijn: het werk van een vakman die grote lyrische kracht aan métier koppelt.
Van der Graft schrijft prachtige liefdesverzen ('Ik zou zo graag hoog van den toren willen blazen’), levenslustige verzen ('Ik zag een prachtig been') en poëticale one-liners ('woord, geef mij woorden'), die hij weet om te smeden tot een geheel eigen toon. Hij is, kortom, een complete dichter. Een dichter die, ondanks zijn leeftijd, in Praten tegen langzaam water de indruk weet te geven nog volop aan zijn oeuvre te werken.
Twee jaar geleden schreef ik op Poëzierapport dat Van der Graft onmiddellijk de P.C. Hooftprijs voor zijn hele dichterlijke oeuvre moet krijgen. Het is nog niet gebeurd, maar het kan nog steeds. En de dichter krijgt het laatste woord:
Praten tegen langzaam water
Praten zoals regenwater
praat tegen langzaam water
transfiguratie van drift:
een minnende mond, een beminde,
samenzijn, namen verbinden
met namen, in spiegelschrift
weten hoe anderen heten,
gaan tot de wieg van het licht.
Van der Graft – Praten tegen langzaam water (gedichten 1942 – 2007, een keuze), L.J. Veen / De Prom, 2007, 34,90 euro.
Dossier(s):
Poezie
|