De nieuwe afbeelding op de noveenkaarsen
woensdag 19 november 2008
Catharina en de heidense wijsgeren
woensdag 19 november 2008
Ik heb twee werkruimten, eentje voor het heiligen verven, en eentje voor het schrijven en vertalen.
Die voor het verven mag lekker vies worden. Gesmeer met eieren en ruwe pigmenten, overal olieranden, overal beenderlijm met krijt: dat is zoals broeder Hugo werkt. Er zitten vlekken in de tafel die centimeters diep in het hout zijn getrokken. Ze herinneren mij aan een paar van mijn meest geliefde schilderwerkjes die nu elders hangen, en waarvan ik alleen nog foto’s heb.
De schrijfruimte boven is een heel ander verhaal. Op een glazen plaat staan een computer, een printer en een lezenaartje met de teksten die ik op dit moment aan het vertalen ben. Ook liggen er de nodige moleskine notitieboeken met een vulpen. Dat is namelijk nog steeds mijn hoofdgereedschap voor het schrijven (niet voor het vertalen, maar wel voor eigen teksten.) Deze werkruimte is veel schoner en klinischer dan die in de kelder. Toch hangen er wel de nodige schilderijen en oleografieën. Tegen de zijwand van de ruimte hangen een Onze Lieve Heer en Onze Lieve Vrouw van het Heilig Hart. Het zijn de afbeeldingen die je in elke Beierse boerderij ergens in de slaapkamer of de huiskamer ziet hangen. Een beetje zoet, maar wel gezellig. Tegengif tegen de strakke kou van al die verelektriekte spullen, zullen we maar zeggen. Boven de computer hangt de heilige Catharina van Alexandrië. Natuurlijk vraag ik voor ik ga schrijven de hulp van de Heilige Geest (‘Spiritus Sancti gratia, illuminet sensus et corda nostra,’) maar in deze tijd is ook de hulp van Katrientje niet te versmaden.
Haar levensverhaal volgt grotendeels de vaste patronen van heiligenlegenden uit de eerste tijd van de Kerk. Zij was een jongedame van adellijke afkomst (natuurlijk) van onvergelijkelijke schoonheid (vanzelf) en van een ongekende eruditie (die hoor je bij martelaressen wat minder vaak. Meestal zijn ze wel erg verstandig, maar niet zo geleerd.)
We hebben het hier over iemand uit de derde eeuw, onder de heerschappij van de snode keizer Maxentius. Die vervolgde de christenen met onheilige ijver, en slachtte hen af met een vreemde perverse creativiteit. Onthoofden en ophangen vond hij maar saai. Daarom liet hij mensen levend villen, borsten afhakken, ledemaat voor ledemaat ‘ snoeien’ en ga zo maar verder.
Volgens de legende vatte deze fijne man een grote bewondering op voor Catharina, en wilde hij met haar trouwen. Dat weigerde zij echter pertinent, omdat zij haar maagdelijkheid aan de Heer had geschonken (en ook omdat ze de keizer niet zo’n lekker karakter vond, neem ik aan.) Daarop stuurde hij vijftig heidense wijsgeren op haar af om haar tot rede te brengen. Natuurlijk bekeerde Catharina in plaats daarvan de heidense wijsgeren.
De keizer, in woede ontstoken, liet de wijsgeren levend verbranden en Catharina op een groot rad met scherpe punten vastbinden. Dat brak echter in duizend stukken. Ten einde raad liet hij haar dan maar onthoofden. (De Romeinen hadden ondertussen geleerd dat dat de enige remedie tegen onverwoestbare christelijke martelaren was. Als je ze probeert te verbranden vlieg je zelf in brand, als je ze met een molensteen om de nek in de plomp gooit komen ze met steen en al bovendrijven, als je ze van de Tarpeïsche rots smijt stuiteren ze vrolijk door de straat en als je ze probeert te grillen op een rooster geven ze gortdroog aan wanneer ze aan een kant gaar zijn, en dat ze moeten worden omgedraaid.) Het onthoofden werkte inderdaad, en haar ziel steeg ten hemel, waar ze verheerlijkt werd als een van Gods lieve heiligen.
Omdat haar rad nogal eens voor een molenrad werd aangezien is ze de patrones van de molenaars, maar voor ons is ze natuurlijk vooral interessant vanwege haar patronaat van hen die gekweld worden door heidense wijsgeren. Gertrudis is tegen de muizen, Rochus tegen de schurft en Catharina tegen de heidense wijsgeren. Dat is handig om te weten, want we zitten met een acute plaag, en ze worden steeds brutaler.
Ik las deze week dat wetenschappers in Amerika onmiddellijk worden ontslagen als ze de hypothese van een intelligente macht achter het ontstaan van het heelal zelfs maar durven noemen. Dit alles zonder enig wetenschappelijk bewijs om deze hypothese te ontkrachten.
Dit toont maar weer eens aan dat de wetenschap altijd het gevaar in zich draagt een godsdienst op zichzelf te worden, compleet met een eigen clerus, dogmatiek en idiote ongeschreven mores. Een godsdienst die het bovendien ontbreekt aan enige zelfspot. Wij katholieken kunnen heerlijk schuddebuiken over de vreemde kronkels in onze traditie (zie de Catharinalegende hierboven.)
Probeer een professor zichzelf maar eens uit te laten lachen. Dat kon je bij verschillende hooggeleerde heren en dames nog wel eens tegenvallen.
Moeten we niet eens wat voorzichtiger worden in het zo maar vertrouwen op allerlei wetenschappelijke disciplines? Bij wis- en natuurkunde gaat het allemaal nog wel, maar bij vagere disciplines zou enige voorzichtigheid toch zo langzamerhand wel op zijn plaats zijn.
Neem nu bijvoorbeeld de psychologie en de psychiatrie. In de huidige vorm zijn ze misschien honderdvijftig jaar oud. Vergeleken met de Kerk echt peutertjes nog. Toch verwijzen we als het zo te pas komt rücksichtslos mensen door naar een psycholoog of een psychiater. Ondertussen beschouwt een substantieel deel van deze mensen religie als een vorm van ‘regressief’ gedrag, en draagt dat ook actief uit in de behandelingen die ze toepassen. Ze doen daar niet geheimzinnig over.
Daarom is niet elke psycholoog of psychiater voor de katholiek geschikt. Als we per slot van rekening mensen willen blootstellen aan een traject dat ze losmaakt van de realiteit kunnen we ze net zo goed doorverwijzen naar het wachttorengenootschap van de Jehova’s getuigen.
Ik zeg niet dat we de kennis die op deze terreinen door de academische wereld is opgebouwd niet dankbaar moeten gebruiken, maar wel dat we zeer zorgvuldig moeten zijn in het uitkiezen van de mensen uit die wereld die we inschakelen.
We leven in een wereld die een technische bloei doormaakt dankzij de wetenschap. Dat heeft haar in onze hoofden een haast onbeperkt krediet gegeven. Maar lees eens een handboek psychologie uit 1900. Hoeveel van wat daarin staat wordt op dit moment nog serieus genomen? Nog maar vijfendertig jaar geleden hebben de dames en heren psychologen hele kloostercongregaties vernietigd met zogenaamde ‘sensitivity trainingen’ waar alle kloosterlingen verplicht aan moesten deelnemen. Dat is een voorbeeld van een techniek die toen als top of the bill werd beschouwd, en nu volslagen achterhaald is. Maar het kwaad is wel geschied. Bloeiende gemeenschappen vielen uit elkaar, en lieten een spoor van uitgetreden en meestal ongelukkige zusters achter. Zij die wel in het klooster bleven waren soms onderling enorm verdeeld, en gingen een zure oude dag tegemoet, los van hun idealen in een soort veredeld bejaardentehuis. Alles dankzij de wetenschappelijke vooruitgang.
Laten we als christenen de wetenschap serieus nemen, maar er wel voor zorgen, vooral op het gebieden die te maken hebben met de menselijke persoon, onze onafhankelijkheid ten opzichte van haar te bewaren. Zij kan namelijk een vreselijk takkewijf zijn.
Birgitta
woensdag 19 november 2008
Het afgelopen jaar heb ik een gedeelte van het ontwerpwerk gedaan voor de nieuwe site van de Birgittinessen in Uden. Dat vond ik een eer, en ik ben blij te kunnen melden dat het resultaat nu online is op www.abdijuden.nl Ik heb altijd iets gehad met de spiritualiteit van de heilige Birgitta, een van die middeleeuwse heiligen die goud wisten te spinnen uit de overweging van het lijden van de Heer. Bij mij in de kluiskerk zit in een van de reliekschrijnen een fragmentje van de tafel waaraan Birgitta haar visioenen opschreef. Het is een van mijn dierbaarste relieken. Ik bid de Birgittijnse rozenkrans graag, en ook het gebed ‘Mijn God, voor wie toch niets onmogelijk is, Gij die alles kan, schenk mij de kracht het goede te doen en daarin te volharden.’ Een dergelijke beknopte kracht is in mijn ogen een teken van grote geestelijke rijpheid.
Vaak proberen wij als wij bidden de goede God alles te vertellen en iedereen bij Hem, aan te bevelen. Op zich is dat natuurlijk lovenswaardig, maar we vergeten natuurlijk altijd van alles, en bovendien weet Hij alles al. Bidden draait niet om informatieoverdracht, maar om aandacht. Vergelijk het met de aandacht die geliefden elkaar schenken. Hun zoete woordjes bevatten geen echte informatie, geen enkele huishoudelijke mededeling. Het is de aandacht die ze elkaar schenken die het uitwisselen van dergelijke onzin zo kostbaar maakt. Bidden lijkt daarop.
Men zegt wel eens dat bidden eenrichtingsverkeer is, dat men wel tegen God kan spreken, maar dat Hij nooit iets terug zegt. Eigenlijk is het natuurlijk precies andersom: alles wat wij vertellen weet Hij al, maar stiekem komt zijn woordeloze Genade ons tegemoet, en is Hij het juist van wie de handeling uitgaat.
Maar Hij moet wel worden uitgenodigd. Hij neemt alleen de ruimte die jij Hem wil geven. Dat is bidden.
Hoogholtje
woensdag 12 november 2008
Het was November, en het gedroeg zich ook zo. Onderweg naar Kloosterburen op mijn vertrouwde Vespa kreeg ik dat beroemde gevoel dat iedereen wel eens heeft: het gevoel dat je kunt vliegen. Dat is niet zo verwonderlijk in een landschap dat zo leeg is, voortzoemend over een fietspad dat niet breder is dan een krant. Het motortje snorde als een tierelier onder mijn in oliegoed verpakte derrière, zonder veel belangstelling nagekeken door de laatste drie koeien die nog niet op stal stonden.
Het was zo’n dag met stortbuien en indrukwekkende wolkencoulissen in roze, geel en blauw, vette klei onder je wielen en Italiaanse barok boven je hoofd. Nu zijn wij in het Noorden geneigd met onze beide benen op de grond te willen blijven, maar dat wordt ongezond als je het al te consequent volhoudt. Af en toe een half uurtje rondfladderen tussen de luchtkastelen doet wonderen voor de geestelijke gezondheid. Mits je geen makelaar belt om er een te huren, zullen we maar zeggen.
Enfin, ik werd abrupt teruggesmakt op de aardse werkelijkheid door een typische Groninger uitvinding: het hoogholtje. Stel je drie smalle planken voor met een leuning links en rechts, idioot hoog op staken gezet boven een sloot (zodat je er nog met een schuit onderdoor kunt.) Zo’n ding kwam ik dus tegen, en halverwege de helling omhoog trok het motortje van de scooter het niet meer…
Met mijn beroemde monastieke engelengeduld verwenste ik alle hoogholtjes naar de zevende kring van de hel, waarvoor ik passend werd beloond met een enorme stortbui en rukwinden die het hoogholtje vrolijk een beetje heen en weer lieten zwaaien.
Opeens moest ik denken aan Janneke, een manegepony uit Bronneger die ik eens heb gekend, kampioene in het lanceren van dikke pubermeisjes.
Enfin, ik ben van alles, maar geen pubermeisje en ook niet dik, dus krampachtig kneep ik in mijn remmen om niet naar beneden te glijden en stapte voorzichtig af. Glibberend en klauterend kwamen ik en mijn scooter boven en vervolgden onze weg.
Grinnikend en fluitend (afwisselend, niet tegelijk) besefte ik weer eens hoe graag ik hier ben.
De tyrannie verdrijven…
zaterdag 8 november 2008
Ik ben er, na achthonderdzesenveertigduizendnegenhondertvierendertig pogingen, eindelijk in geslaagd korte metten te maken met mijn internetverbinding.
Van oudsher is het gebruikelijk dat contemplatieven afzien van het gebruik van televisie en radio. Dergelijke lawaaiierigheden horen namelijk niet in een kluis of klooster.
Het zich onthouden van genoemde media wordt echter onzin als je wel internet hebt. Internet is namelijk erger dan een hele winkel vol tv’s en radio’s bij elkaar.
Het bleek echter geen eenvoudig werkje om dit bijzondere spook te verdrijven. Voor steeds meer nuttige en heilzame werkzaamheden is het gebruik van internet namelijk ongeveer noodzakelijk geworden. We zijn ons er nauwelijks van bewust, maar sluipenderwijs is het wel zo geworden.
Gelukkig is echter met goede hulp alles mogelijk. Zodoende kan dan nu eindelijk de stekker eruit! Hoera!
Deze weblog zal zodoende alleen nog wekelijks worden bijgehouden, naar het zich nu laat aanzien elke woensdag. Daar heb ik een truc voor bedacht waarvan ik hoop dat die werkt. Zo niet, dan is het exit weblog. Zo belangrijk is het nu ook weer niet wat ik te melden heb.
Het e-mailadres broederhugo@beslotentuin.nl wordt binnenkort uit de lucht gehaald. Alle post die persoonlijk voor mij is bedoeld kan op papier worden geschreven of geprint en in een enveloppe worden gestopt. Als je op die enveloppe dan mijn adres schrijft, er een postzegel op plakt en het in één van die rare oranje bussen met gleuven gooit die je hier en daar bij supermarkten en postkantoren ziet staan, is er een gerede kans dat het bij mij terecht komt. Echt waar!
Het adres is:
Kluis Onze Lieve Vrouwe van de Besloten Tuin
Baron van Asbeckweg 13
9963PA Warfhuizen
Post die betrekking heeft op de Mariabroederschap of het organiseren van bedevaarten naar Onze Lieve Vrouwe van Warfhuizen kan naar het E-mail adres dat je op deze pagina vindt. Deze post wordt door vrijwilligers ingelezen en is dus niet voor persoonlijke boodschappen.
Eremo Santa Croce 2008: Slot - de terugreis
woensdag 5 november 2008
Als ik nu (22.00) terugkijk op mijn dag, lijkt het alsof ik uit een andere wereld ben gekomen. Het fijne is dat ik die andere wereld als het ware heb kunnen meenemen. Vooral de gedachte aan de h. Mis vanochtend ontroert mij. De vader (Gabriël) had alles een uur naar voren geschoven om mij op tijd op het vliegveld te krijgen, dus ik heb het hier over 6.00 deze ochtend. Vanzelfsprekend was het nog pikdonker toen ik de steile helling tussen de gastenkluis (op de foto) en de kapel beklom. Ik kan op geen enkele manier het gevoel beschrijven dat mij bevangt als ik daar vanuit de koude, donkere wereld dat kleine hokje met zijn opgeplakte ikonen en opgepoetste olielampjes binnenkom. Denk niet dat het romantisch is! Het is juist zo werkelijk dat het onwerkelijk wordt! Je zit daar op elkaar geklemd tussen al dat heiligs dat niet gedragen wordt door enige indrukwekkende kunst of architektuur, maar alleen door zichzelf, (nou ja, bemiddeld door de doodnuchtere maar liefdevolle zorg die besteed wordt aan de spulletjes en de Liturgie, en dat alles bezield door eenvoudig maar doorlopend gebed.)
Na de Mis kreeg ik van de vader de reiszegen met sterk geurende gewijde olie (als ik ooit in dezelfde geur van heiligheid sterf als waarmee ik vandaag op het vliegtuig zat, dan komt het wel goed met mij. De hele reis zag ik medereizigers vertwijfeld om zich heensnuffelen.) Ook dat was een manier om zelfs in de commerciële ontploffing die luchthaven heet (de nachtmerrie van elke monnik) toch in zekere zin de geest van de kluis mee te dragen. Nu nog ruik ik een sterke hint van amber als ik de rug van mijn hand naar mijn neus breng. Moge het (geestelijk dan) beklijven!
Ik was natuurlijk veel te vroeg op de luchthaven van Lugano, niet bruisender dan de bushalte in Wehe-den Hoorn. Gelukkig had ik ontspannende lectuur bij me, bij uitstek geschikt voor een vliegveld met muzak (Ladinischtalige rock en Italiaanstalige rap) op de vroege morgen: De Praktikos van Evagrius van Pontus in het Duits. (AAAAAAAAAAARRRRGGHHHHH.)
Bij het binnenvliegen van Nederland viel weer eens op wat een idioot klein landje het eigenlijk is. We vlogen binnen over Hulst, toen over Rotterdam (net zo lelijk van boven als van beneden) en Den Haag. Daarna een stukje de Noordzee op (je kon Scheveningen prachtig zien liggen,) en over Ijmuiden weer naar binnen. Dat alles in ongeveer tien minuten.
De trein was een internationale van de Deutsche Bahn. Net een rijdende kas, zo licht en met veel meer zicht op de buitenwereld dan de bekende NS-bakken. Heerlijk. Tenslotte had ik tussen Amersfoort en Assen een prachtig gesprek met mevrouw Kok (het kan ook de Kok zijn geweest, dat weet ik niet helemaal zeker meer.) Zij kwam oorspronkelijk uit Den Haag, maar had met haar man ongeveer haar halve leven een winkel gehad in Heiligerlee. Ze was rijkelijk gezegend met zes kinderen die door een of ander wonder niet alleen maatschappelijk goed terecht waren gekomen, maar ook nog eens alle zes een gezond gezin hadden. Dat hoor ik niet vaak, maar wel graag. Geweldig mens, trouwens ook.
Ik kan nog een deftig slot verzinnen aan het hele verhaal, maar dat doe ik lekker niet. Ik was blij om bij vader Gabriël te zijn, en ik ben blij en dankbaar dat ik weer terug mag zijn. Tot zover Eremo Santa Croce 2008.
Gids Schnell und Steiner
dinsdag 4 november 2008
De gids van Schnell und Steiner is eerder gekomen dan verwacht, en ziet er prachtig uit! Hij is te bestellen bij de uitgeverij maar ook gewoon te koop in het voorportaal van de kluis.
Hij heeft een ISBN nummer, dus ik ga ervan uit dat het ook bij de gewone boekhandel te bestellen valt (maar dat weet ik niet zeker.)
ISBN13: 978-3-7954-6797-5
Monseigneur van den Hende
dinsdag 4 november 2008

Voor mannen die nadenken over hun roeping zou ik even de aandacht willen vestigen op dit filmpje van het bisdom Breda. Monseigneur van den Hende, de bisschop van Breda, spreekt daarin zo wat gedachten uit over roeping, in het bijzonder over de roeping tot het priesterschap.
Deze man is in mijn ogen een van de meest hoogstaande mensen die ik heb mogen leren kennen in de Rooms-Katholieke Kerk. Niet omdat hij charisma heeft, ook niet omdat hij een goede prater is, maar wel omdat hij echte aandacht en tijd heeft voor wie met hem in gesprek komt. Hier is een man die niet alleen weet te praten, maar ook te luisteren. Zodoende heeft hij, als hij dan spreekt, meestal iets te zeggen waar je wat aan hebt.
Ik zou er nog meer over kunnen zeggen, maar dat doe ik niet. Kijk nou maar naar dat filmpje.
Eremo Santa Croce 2008 - Sint Hilarion - 21 Oktober - deel 2
zondag 2 november 2008
’s Avonds heb ik nog een lang gesprek met vader Gabriël gehad. Het is wonderlijk hoe het tussen ons klikt. Hij hanteert een zekere strengheid zoals die bekend is van de stijl van geestelijke leiding die het oosterse monnikendom eigen is, maar nooit zonder liefde. Er wordt veel gelachen bij vader Gabriël. Gelachen om eigen blunders, de fratsen van de Kerk (ja, ze heeft soms fratsen,) maar ook uit pure dankbaarheid om dingen die de goede God soms op een ongelooflijke manier toch nog goed laat komen.
We hebben gesproken over organisatorische problemen, in het algemeen en specifiek voor Warfhuizen, over regelarij. Over de concrete aanpak van het geestelijk leven in goede en kwade dagen. Over de relatie met de omgeving die je als kluisbroeder nou eenmaal ook altijd toch nog hebt. Hij kwam met voorbeelden van andere jonge kluizenaars die hij begeleidt, maande bij sommige dingen tot geduld, bij andere tot spoed. Zo gaan die dingen. Veel mensen vragen mij om een beschrijving van hoe vader Gabriël nou eigenlijk als persoon is, wat zijn stijl is, zijn manier van spreken. Omdat dit soort gesprekken erg persoonlijk zijn, en niet voor publcatie bedoeld, druk ik hier een stukje uit een van zijn boeken af. Ik heb het zelf vertaald, want Nederlands is zo ongeveer de enige Europese taal waarin nog niets van vader Gabriël is gepubliceerd (behalve Baskisch.) Ik hoop dat daar snel verandering in komt, want ik denk dat zijn boeken een uniek inzicht geven in sommige problemen waar wij in het Westen, en vooral in Nederland, maar niet reëel naar durven te kijken.
Uit ‘Irdene Gefässe,’ een boek over de praktijk van het gebed, het eerste lemma van het derde hoofdstuk over de manieren om te bidden:
1. ‘Gebeden en dringende smekingen onder tranen’ (Heb. 5:7)
Niemand verwondert zich als een mens tranen vergiet omdat hij getroffen is door groot leed. Ook vreugdetranen zullen de meesten wel vertrouwd zijn. Maar tranen in gebed? Voor de vaders hoorden tranen en gebed inderdaad onafscheidelijk bij elkaar en golden bij hen allerminst als een teken van ongepaste sentimentaliteit. Dat geldt ook voor de Bijbelse mens.
Hoor, o Heer, mijn gebed,
versta hoe ik smeek om uw bijstand;
o blijf voor mijn schreien niet doof.[1]
Tranen begeleiden dus vóór alles de dringende smeking. Onder tranen bidt een vertwijfelde vader om de genezing van zijn zoon,[2] en onder tranen smeekt de zondares Christus woordeloos om vergeving.[3] Zelfs Christus heeft in de dagen van zijn vlees gebeden en dringende smeekbeden met luid geschrei en tranen gebracht voor Hem die Hem kon redden van de dood.[4]
*
Tranen horen bij de praktische manier van het gebed, want zij maken deel uit van de moeiten van de praktikè, dat wil zeggen het eerste stadium van het geestelijke leven.
‘Die onder tranen zaaien, zij oogsten met gejuich:’
Diegenen die met moeite en tranen de praktikè volbrengen, ‘zaaien onder tranen.’ Zij daarentegen die moeiteloos inzicht ontvangen, ‘oogsten met gejuich…’[5]
Waarom dit vasthouden aan de noodzakelijkheid van tranen, dat de moderne mens zo vreemd aandoet? Is de christen niet veel meer bestemd om blij te zijn? Zeker, maar de vaders schatten de toestand van de mens misschien toch realistischer in dan wij.
Abba Longinos bezat een grote vermorzeling in zijn gebed en psalmodie. Op een dag vroeg nu zijn leerling aan hem: ‘Abba, is het de geestelijke regel, dat de monnik bij zijn gebed altijd weent?’ en de oudvader antwoordde hem: ‘Ja, mijn kind, dat is de regel die God nu van ons verlangt. Want in den beginne heeft God de mens niet geschapen om te huilen, maar om zich te verheugen en om te juichen en Hem rein en zondeloos te verheerlijken als een engel. Sinds hij echter in zonde viel, heeft hij de tranen nodig. En allen die gevallen zijn hebben die net zo nodig. Want waar er geen zonden zijn, daar zijn ook geen tranen nodig.’[6]
*
In dit eerste stadium van het geestelijke leven gaat het dus vooral om wat de Schrift en de vaders boete noemen, ommekeer en verandering van denken (metanoia.) Maar zelfs alleen de gedachte aan zo’n ommekeer roept onvermoede innerlijke weerstanden op. Evagrios spreekt hier van een zekere innerlijke rauwheid of geestelijke gevoelloosheid[7] en afgestomptheid waartegen alleen de tranen van de (geestelijke) droefheid helpen.
Bid eerst om het ontvangen van tranen om de rouwheid die in je ziel woont door vermorzeling week te maken opdat je als je ‘de Heer, ondanks jezelf, je wetteloosheid bekent’[8] van Hem vergeving ontvangt.[9]
Iedere mens kent wel deze rauwheid in de gestalte van die beklemmende zielstoestand die de vaders akedia noemen, taedium cordis (Johannes Cassianus,) hartsmatheid, verveelde tegenzin, innerlijke leegte… De tranen zijn daartegen een machtig geneesmiddel.
Drukkend is de treurigheid
En onverdraaglijk de verveelde tegenzin,
Maar tranen tot God
Zijn machtiger dan beide.[10]
Maar omgekeerd verdrijft de geest van de akedia de tranen en de geest van de treurigheid hakt het gebed in de pan.[11] Wat nu te doen, als men zich zo in de uitzichtloze situatie van innerlijke droogte, verveelde tegenzin en treurigheid bevindt? Evagrios raadt in zo’n geval aan:
De ziel onder tranen in twee helften te delen, waarvan de ene troost en de andere getroost wordt, zodat wij voor onszelf goede hoop zaaien en onszelf de betoverende woorden van David voorzingen: Wat buigt ge u neer, mijn ziel, wat zijt ge ontrust in mij? Stel gij op God uw hoop: eenmaal loof ik Hem weer, Heil van mijn aangezicht - mijn God.’[12]
*
Hoe welgevallig dus ook de Heer een onder tranen opgedragen gebed is,[13] tranen mogen geen doel op zichzelf worden! Ieder ascetisch handelen van de mens, voor zover het zijn eigen handelen is, draagt inderdaad de fatale tendens in zich, zich te verzelfstandigen. Het middel wordt dan zonder dat men er erg in heeft tot doel.
Ook al vergiet je tijdens je gebed stromen van tranen, verhef je toch beslist niet in jezelf, alsof je beter bent dan de menigte. Want je gebed heeft alleen maar een [goddelijke] hulp ontvangen, om je in staat te stellen bereidwillig je zonden te erkennen en om de Heer door je tranen welwillend te stemmen.
Maak dus het afweermiddel tegen de hartstochten niet zelf tot hartstocht, om de Gever van de genade niet nog meer te vertoornen![14]
Wie het doel van de tranen uit het oog verliest, dus de zeer bittere ommekeer,[15] loopt het gevaar zijn verstand te verliezen en in dwaling te geraken.[16] Omgekeerd is het dan weer zo dat niemand zich moet inbeelden als “gevorderde” geen tranen meer nodig te hebben.
Als het je toeschijnt dat je de tranen omwille van je zonden bij je gebed niet meer nodig hebt, besef dan hoe ver je je van God verwijderd hebt, terwijl je toch voortdurend bij Hem zou moeten zijn,en je zult des te hetere tranen vergieten.[17]
Deze waarschuwing, de vrucht van de nuchtere inschatting van de menselijke werkelijkheid, geldt overigens voor de praktikè als geheel. Zo waarschuwt Evagrios bijvoorbeeld zijn gnosticus, de contemplatief, als hem die de kennis is waardig gekeurd:
De heilige Paulus ‘kastijdde zijn lichaam en knechtte het.’[18] Jij, verwaarloos dus je leven lang je levenswijze niet en geef de hartstochtloosheid niet prijs aan de bespotting door haar met een vet lijf te vernederen.[19]
Zelfs als de mens het doel van het praktische leven, de toestand van innerlijke vrede van de ziel, bereikt heeft, verdwijnen de tranen dus niet! Zij zijn in dit stadium echter de uitdrukking van de nederigheid en als zodanig een garantie van de echtheid van deze toestand van rust tegenover zijn veelvormige demonische vervalsingen.[20] De vaders hechten daarom waarde aan de tranen, simpelweg als een teken van de nabijheid van de mens tot God, zoals Evagrios al aangaf:
Een oudvader heeft gezegd: ‘Een mens die in zijn kellion zit en Psalmen bemediteert, lijkt op een mens die buiten staat en naar de Koning verlangt. Ieder die ‘onophoudelijk bidt’ lijkt op iemand die met de Koning spreekt. Wie daarentegen onder tranen bidt, lijkt op hem die de voeten van de Koning omklemt en Hem om erbarmen smeekt, zoals die hoer, die door haar tranen in korte tijd al haar zonden afwaste.[21]
Zeker heeft God de mens niet geschapen om te wenen, maar om blij te zijn, zoals een vader zei. Maar in Adam zijn allen gevallen, en daarom hebben allen de tranen nodig, zoals ook allen boete en bekering nodig hebben. Dat te erkennen is een teken van oprechte nederigheid. Net zo zullen we later horen over de zogenaamde metanieën, die in een gebaar hetzelfde uitdrukken als de tranen.
Hoe dichter een mens God nabij is, hoe meer hij zichzelf als zondaar ervaart,’ heeft een vader gezegd, want alleen Gods Heiligheid maakt onze zondigheid werkelijk zichtbaar. Tranen staan daarom niet alleen aan het begin van de geestelijke weg van de bekering, maar begeleiden die ook tot aan het doel, waar ze dan veranderen in geestelijke tranen en een zekere hartsblijdschap, die de vaders als een teken van onmiddellijke inwerking van de Heilige Geest waarderen en daarmee als een teken van de nabijheid tot God.[22]
[1] Ps.38:13
[2] Marc.9:24
[3] Luc.7:38
[4] Heb.5:7
[5] Evagrios, In Ps. 125,5 g. evagrios herhaalt dit ervaringsfeit vaker, zie in Ps. 26,6 e; 134,7 e; Praktikos 90
[6] Nau, 561
[7] Mal. Cog. 11 (PG 79,1212 D)
[8] Zie: Ps.31:5
[9] Evagrios, De Oratione 5
[10] Evagrios, Ad Virginem 39 (Greßmann)
[11] Evagrios, Ad Monachos 56 (Greßmann)
[12] Evagrios, Praktikos 27, Citaat: Ps. 41:6.12; 42:5
[13] Evagrios, De Oratione 6
[14] Idem. 7
[15] Evagrios, In Ps. 79,6 g
[16] Evagrios, De Oratione 8
[17] Idem: 78
[18] 1Cor.9:27
[19] Evagrios, Gnostikos 37 (Guillaumont)
[20] Evagrios, Praktikos 57
[21] Nau 572. Verwijzing naar Luc.7:38.47
[22] Diadochos van Photikè, c.LXXIII; Bladzijde 115 en verder








